Honing uit de rand van Wijk bij Duurstede
De bijen van Aristaios staan aan de rand van Wijk bij Duurstede, vlak bij de Kromme Rijn en de Noorderwaard. Dat is een mooie plek voor een bijenvolk. Binnen een straal van ongeveer drie kilometer vinden de bijen een afwisselend landschap: rivieroevers, boomgaarden, weilanden, tuinen, knotwilgen, hagen, bermen en de eerste stukken buitengebied richting Cothen.
Een honingbij vliegt meestal niet zomaar lukraak rond. Ze kiest de plek waar op dat moment iets te halen is: nectar voor honing, stuifmeel voor het broed, of allebei. Daardoor vertelt honing altijd iets over de omgeving én over het seizoen waarin de bijen hem hebben gemaakt.
Een straal van drie kilometer
Drie kilometer lijkt weinig, maar voor een bijenvolk is het een groot gebied. Vanaf de standplaats bestrijkt dat ongeveer de noordrand van Wijk bij Duurstede, de Kromme Rijn, delen van de Noorderwaard, de richting naar Cothen, enkele kersenboomgaarden in de directe omgeving, andere fruitboomgaarden in het buitengebied, sloten, erven, tuinen en bloemrijke randen.
Dat maakt deze plek interessant. Het is geen landschap met één grote dracht, zoals een heideveld of koolzaadakker. Het is juist een mozaïek. In het vroege voorjaar leveren wilgen en fruitbloesem veel op. Later nemen klaver, braam, linde, bermbloemen en slootkantplanten het over. In het najaar is klimop belangrijk voor de laatste stuifmeelronde van het jaar.
Vroege voorjaar: wilg, els en de eerste bloeiers
Het bijenseizoen begint vaak eerder dan je denkt. Op zachte dagen in februari en maart komen de eerste haalbijen naar buiten. Ze zoeken dan vooral stuifmeel. Dat is nodig om het broednest weer op gang te brengen.
Rond de Kromme Rijn en langs natte randen zijn wilgen heel belangrijk. Knotwilgen, schietwilgen en andere wilgensoorten geven vroeg in het jaar veel stuifmeel en soms ook nectar. Voor een bijenvolk is dat goud waard. Ook els en hazelaar kunnen vroeg stuifmeel leveren, al zijn dat vooral opbouwbronnen en geen echte honingdracht.
In tuinen en op erven vinden de bijen daarnaast krokussen, sneeuwklokjes, winterakoniet, longkruid en andere vroege bloeiers. Het zijn kleine bronnen, maar in een periode waarin nog weinig bloeit, maken ze wel verschil.
Lente: fruitbloesem langs de Kromme Rijn
In april verandert de omgeving snel. De streek rond Wijk bij Duurstede en Cothen hoort bij de Kromme Rijnstreek, een gebied met veel fruitteelt. Ook direct rond de standplaats liggen enkele kersenboomgaarden. Voor bijen is dat een belangrijke periode. Eerst bloeien vaak pruim en kers, daarna peer en appel.
Tijdens goede bloesemdagen kan een bijenvolk snel groeien. De bijen halen nectar en stuifmeel uit de boomgaarden, maar ook uit paardenbloem, sleedoorn, meidoorn, esdoorn, pinksterbloem en hondsdraf. Juist die combinatie maakt de voorjaarsdracht hier aantrekkelijk.
De voorjaarshoning uit deze omgeving zal daardoor meestal licht en bloemig zijn. Niet van één plant, maar van alles wat tegelijk openstaat: fruitbloesem, wilg, paardenbloem en de eerste bloemen in bermen en tuinen.
Mei en juni: bermen, hagen en graslanden
Na de fruitbloesem verschuift de dracht. De bijen zoeken dan meer in bermen, hagen, weilanden en ruige randen. In deze periode zijn paardenbloem, witte dovenetel, fluitenkruid, boterbloem, klaver, wikke, meidoorn en later ook braam belangrijk.
Vooral witte klaver kan veel nectar geven, mits er niet te vroeg of te vaak wordt gemaaid. Dat is meteen een belangrijk punt: niet alles wat kan bloeien, komt ook werkelijk tot bloei. Maaibeheer, droogte en temperatuur bepalen hoeveel er daadwerkelijk te halen is.
In een gebied als dit is juni vaak een overgangsmaand. De voorjaarsdracht loopt af, maar de zomerdracht komt op gang. Voor de imker is dat een periode om goed te kijken: bouwen de volken door, komt er nectar binnen, of valt er juist een drachtpauze?
Zomer: braam, linde, klaver en slootkanten
In de zomer wordt het landschap weer anders. Langs bosranden, hagen, ruigtes en perceelranden bloeit braam. Braam is voor bijen een waardevolle plant: ze levert nectar en stuifmeel en bloeit vaak rijk. Ook linde kan in deze periode belangrijk zijn, vooral als er lindes staan in lanen, tuinen, parken of langs wegen.
Verder halen de bijen in de zomer op witte klaver, distels, kattenstaart, watermunt, berenklauw, knoopkruid en andere bloemen van bermen en slootkanten. De Kromme Rijn, sloten en natte randen zorgen ervoor dat er ook in droge perioden soms nog bloeiende plekken overblijven.
Zomerhoning uit deze omgeving kan daardoor wat voller en kruidiger zijn dan voorjaarshoning. Als linde sterk meedoet, proef je dat vaak terug. Als klaver en braam overheersen, wordt de honing meestal zachter en ronder van smaak.
Nazomer: wat er nog overblijft
In augustus en september wordt het aanbod wisselender. Sommige bermen zijn gemaaid, graslanden zijn droger en veel bomen zijn uitgebloeid. Toch is er nog genoeg te vinden voor bijen, vooral op ruige hoekjes, langs water en in tuinen.
Denk aan kattenstaart, watermunt, distels, guldenroede, herfstaster, sedum, zonnebloem en soms ingezaaide groenbemesters zoals phacelia of mosterd. Voor de honingopbrengst is dit meestal geen hoofdperiode, maar voor het volk is het wel belangrijk. De bijen bereiden zich dan voor op de winter en hebben goed stuifmeel nodig voor sterke winterbijen.
Najaar: klimop als laatste grote bron
Wanneer veel andere planten al uitgebloeid zijn, begint klimop. Voor mensen valt die bloei soms nauwelijks op, maar voor bijen is klimop een belangrijke late drachtplant. Op zachte herfstdagen kan een klimopstruik gonzen van de bijen.
Klimop levert nectar en stuifmeel op een moment dat het aanbod schaars wordt. Voor Aristaios is dit vooral voedsel voor het volk zelf. Honing van klimop kristalliseert snel en wordt meestal niet als aparte honing geoogst. De waarde zit vooral in de ondersteuning van de winterbijen.
Wat maakt deze plek bijzonder?
De kracht van deze standplaats zit in de afwisseling. Binnen drie kilometer liggen stad en buitengebied naast elkaar. De bijen kunnen naar de Kromme Rijn, naar boomgaarden, naar tuinen, naar bermen, naar weilanden en naar de randen van de uiterwaarden.
Daardoor kan de honing per jaar verschillen. Droogte, bloei en vliegweer bepalen welke planten werkelijk bijdragen: het ene jaar meer klaver en bermbloemen, het andere jaar juist meer braam of linde.
Die variatie hoort bij lokale honing. Aristaios-honing is daarom geen standaardproduct. Het is een afdruk van het seizoen, gemaakt door de bijen in het landschap rond Wijk bij Duurstede.
Drachtkalender rond de standplaats
Een kalender is geen spoorboekje: warmte, regen, wind en maaien bepalen wanneer een plant werkelijk iets te bieden heeft.
-
Februari - maartVroege voorjaarsdracht
wilg, els, hazelaar, krokus en sneeuwklokje
Eerste stuifmeel en opbouw van het broednest
-
AprilBloesemtijd
Sterke voorjaarsgroei
-
MeiVol voorjaar
appel, peer, meidoorn, paardenbloem, fluitenkruid en dovenetel
Kans op voorjaarshoning
-
Juni
Overgang naar de zomerdracht
-
Juli
Kans op zomerhoning
-
AugustusNazomer
watermunt, kattenstaart, distels en tuinplanten
Ondersteuning na de hoofddracht
-
September - oktober NuLaatste grote bron
klimop, herfstaster, sedum en late tuinbloemen
Belangrijk voor sterke winterbijen
-
November - januariWinterrust
nauwelijks natuurlijke dracht
Het volk leeft vooral van de aangelegde voorraad
Honing van dichtbij
Wie een pot honing van Aristaios opent, proeft dus niet alleen honing. Je proeft de rand van Wijk bij Duurstede, de bloesem richting Cothen, de wilgen langs het water, de klaver in de berm, de braam in de ruigte en de lindes in de zomerzon.
Dat is de charme van lokale honing. Ze komt niet uit een anonieme omgeving, maar uit een herkenbaar landschap. Een landschap waar de bijen dag na dag hun weg in vinden.
Drachtplanten in beeld
Kijk mee met de bijen
Een selectie herkenbare drachtplanten uit het omringende landschap. De beelden staan lokaal op deze website; bron en gebruikslicentie vind je bij iedere foto.
Schietwilg
De vroege katjes leveren onmisbaar stuifmeel wanneer er nog maar weinig anders bloeit.
Foto: AnRo0002 · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Els
Els geeft vooral vroeg stuifmeel: geen echte honingdracht, wel belangrijk voor de voorjaarsopbouw van het volk.
Foto: Bruce Marlin · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Hazelaar
Hazelaar is vooral een stuifmeelbron: nuttig voor broedzorg zodra de eerste bijen weer vliegen.
Foto: Robert Flogaus-Faust · CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Krokus
Krokussen zijn kleine maar vroege bronnen van nectar en stuifmeel in tuinen, parken en bermranden.
Foto: Nikita Karasik · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Sneeuwklokje
Op zachte dagen kunnen sneeuwklokjes net dat beetje vroege nectar en stuifmeel leveren.
Foto: André Karwath aka Aka · CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons
Winterakoniet
Winterakoniet bloeit heel vroeg en trekt bij zacht winterweer al de eerste vliegende bijen.
Foto: Holger Krisp · CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Longkruid
Longkruid overbrugt het vroege voorjaar met nectar in buisvormige bloemen.
Foto: Uoaei1 · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pruim
Pruimenbloesem kan kort maar krachtig bijdragen aan de vroege fruitdracht.
Foto: Christian Ferrer · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Kers
Kersenboomgaarden in de omgeving kunnen in april een duidelijke voorjaarsimpuls geven.
Foto: Thomas Schilling · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Peer
Perenbloesem hoort bij de korte maar belangrijke bloesemperiode van het voorjaar.
Foto: George Chernilevsky · Public domain · Wikimedia Commons
Appel
Appelbloesem geeft in korte tijd nectar én stuifmeel en helpt het volk snel groeien.
Foto: Fiver, der Hellseher · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Paardenbloem
Paardenbloemen geven in het voorjaar op veel plekken tegelijk nectar en stuifmeel.
Foto: Sebastian Stabinger · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Sleedoorn
Sleedoorn bloeit vroeg in hagen en struwelen en kan net voor de fruitbloesem veel insecten trekken.
Foto: Rasbak · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Meidoorn
Meidoorn verlengt de bloesemperiode in hagen, erven en randen van het landschap.
Foto: Didier Descouens · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Esdoorn
Esdoornbloei kan in het voorjaar veel kleine bloemen tegelijk aanbieden: nectar én stuifmeel.
Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinksterbloem
Pinksterbloem hoort bij vochtige graslanden en bermen en bloeit in de overgang naar vol voorjaar.
Foto: AnRo0002 · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Hondsdraf
Hondsdraf bloeit laag bij de grond en is in tuinen, bermen en randen een bescheiden maar nuttige bron.
Foto: Rasbak · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Witte dovenetel
Witte dovenetel bloeit lang en levert nectar in lipbloemen, vooral aantrekkelijk op beschutte plekken.
Foto: Hans Hillewaert · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Fluitenkruid
Fluitenkruid tekent de bermen in het voorjaar en biedt open schermbloemen aan veel insecten.
Foto: Rasbak · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Boterbloem
Boterbloemen zijn algemene voorjaarsbloeiers; ze zijn niet de grootste dracht, maar horen wel bij het mozaïek.
Foto: Dominicus Johannes Bergsma · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Witte klaver
Witte klaver kan lang nectar leveren, zolang maaien en droogte de bloei niet onderbreken.
Foto: Algirdas · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Wikke
Wikke groeit vaak in randen en ruigtes; de bloemen zijn vooral aantrekkelijk voor hommels en andere bijen.
Foto: Alpsdake · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Braam
Braam bloeit rijk langs hagen en ruigtes en levert de bijen nectar én stuifmeel.
Foto: MargaretAndArmand · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Linde
Op warme dagen kan lindebloei een krachtige zomerdracht en een herkenbaar aroma geven.
Foto: AnRo0002 · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Distel
Distels kunnen in ruige randen en bermen veel nectar leveren in de zomer en nazomer.
Foto: Ivar Leidus · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Kattenstaart
Kattenstaart houdt de dracht langs natte oevers en slootkanten in de nazomer op gang.
Foto: Ivar Leidus · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Watermunt
Watermunt houdt langs natte randen de nazomerdracht levend wanneer veel bermplanten al teruglopen.
Foto: AnRo0002 · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Berenklauw
Berenklauw biedt open schermbloemen waar veel insecten eenvoudig bij nectar en stuifmeel kunnen.
Foto: Christian Fischer · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Knoopkruid
Knoopkruid is een sterke nectarplant voor bermen en bloemrijke randen in de zomer.
Foto: Bff · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Guldenroede
Guldenroede kan laat in de zomer nog nectar en stuifmeel leveren, vooral in ruige zonnige randen.
Foto: Ivar Leidus · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herfstaster
Herfstasters zijn vooral in tuinen waardevol als late bloei voor bijen en andere insecten.
Foto: Uwe W. · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Sedum
Sedum of vetkruid bloeit laat en is in tuinen vaak druk bezocht wanneer de natuurlijke dracht afneemt.
Foto: Mnemo · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Zonnebloem
Zonnebloemen leveren vooral veel stuifmeel en geven tuinen in de nazomer extra bijenbezoek.
Foto: Jonson22 · CC0 1.0 · Wikimedia Commons
Phacelia
Phacelia is een bekende bijenplant en groenbemester die lang en rijk kan bloeien.
Foto: Jürgen Howaldt · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Mosterd
Mosterdachtige gele kruisbloemen kunnen op akkers, randen of als groenbemester tijdelijk veel insecten trekken.
Foto: Zeynel Cebeci · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Klimop
Bloeiende klimop is een van de laatste grote bronnen van nectar en stuifmeel voor de winterbijen.
Foto: Rasbak · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons